Skip to content

Wilhelmus Vullers

Wilhelmus Godefridus Joannes Martinus, zoon van Adrianus Wilhelmus Vullers en Maria Elisabeth Trouwen werd geboren te Nederweert 11 november 1823. Hij werd priester gewijd te Roermond 23 december 1848 en was achtereenvolgens kapelaan te Blitterswijk, Beegden en Stramproy. De naam van Pastoor Vullers blijft voor altijd verbonden met de Ospelse parochiekerk O. L. Vrouw Onbevlekt Ontvangen, die hij samen met het kerkbestuur en zijn parochianen heeft gebouwd onder zeer moeilijke omstandigheden, en die hij altijd op z’n best heeft verzorgd.

Rond die kerkbouw bestaat er een verhaal. Van de Rijksinspectie kwam bericht, dat de Rijkssubsidie niet of slechts ten dele doorgang zou vinden, omdat het ontworpen plan te groots van opzet was voor een parochie, die nauwelijks 1000 zielen telde. Maar toen deed zich de gelukkige omstandigheid voor, dat een Rijksinspecteur persoonlijk naar Ospel kwam, en dat de pastoor in de gelegenheid was, hem een middagmaal aan te bieden. Gedurende het onderhoud met middagmaal op de pastorie veranderde de inspecteur niet alleen van inzicht, maar kon hij zich zelfs verenigen met de visie van de pastoor, die van oordeel was, dat, gezien de toekomst, de opzet van het plan gerust nog wat ruimer had mogen zijn.

God had aan Pastoor Vullers het talent geschonken, zeer gemakkelijk met mensen te kunnen omgaan. Niet alleen met inspecteurs, maar ook met parochianen. Dank zij dit talent wist hij de gezinnen van zijn nieuwe parochie, die, gescheiden door onbegaanbare wegen, wijd en zijd verspreid woonden, tot een saamhorigheid en samenwerking te brengen, welke tot grote offers in staat was. Dank zij ook dit talent was het hem gemakkelijk de welgestelde familie Aerthijs te benaderen, die Ospel door milde gaven aan zich verplicht heeft en mocht hij tenslotte het resultaat boeken, dat, toen de parochiekerk was afgebouwd, zij ook vrij van schuld was.

Toen de parochianen dit nieuws vernamen, stonden zij verbaasd en vroegen, waar zoveel geld vandaan zou zijn gekomen? De gissingen waren niet van de lucht en gingen vooral in de richting van de familie Aerthijs. Dat de pastoor teveel gebedeld had bij de parochianen, mocht niemand beweren, want hij had zich van het begin af een bescheiden man getoond, die zuiver begrip en gevoel wist op te brengen voor de moeilijke levensomstandigheden, waarin zijn parochianen verkeerden.

Ook daaromtrent bestaat er een verhaal, dat én de pastoor én de parochiaan tot eer strekt.

Toen Pastoor Vullers in de tijd van de kerkbouw weer eens op toer was door de parochie, om materiaal te verzamelen en werkkrachten aan te trekken, liep hij ook aan bij een huisvader, die dicht bij zijn huis, een heel armzalig hutje, bezig was te werken op de akker. Pastoor, zei de man, ik heb hier nog een eiken boompje staan. Dat wou ik de kerk cadeau doen. Pastoor, die het boompje bekeek, vroeg: Wat mag ik er u voor geven? Niets, zei de man. Dan mag ik het niet nemen, zei de pastoor. Dan spijt ’t mij wel, zei de man, ik wil niet betaald hebben, wat ik O. L. Heer geef.

Ik vroeg eens aan koster Frans op ’t Root, of het waar was, dat Pastoor Vullers een lastige mens was geweest. Wel nee, zei Frans, ik ben misdienaar bij hem geweest. Het was een heel goeie pastoor. Ja, later, toen hij oud en ziekelijk werd, kon hij wel eens wat grommen, maar wie zou ook niet, als je zo’n zwaar leven achter de rug hebt.

Pater E. Geenen, oud-kapelaan van Ospel, later als kapelaan van Neer Trappist geworden in de abdij van O. L. Vrouw van Sion te Diepeveen, liet op 83-jarige leeftijd nog herinneringen opschrijven over de tijd van zijn kapelaanschap te Ospel. Na vermeld te hebben, dat hij nog steeds zat te boeten voor de haasjes en konijnen, die hij in Ospel heeft weggeschoten, vervolgt hij: Toen ik in 1892 kapelaan werd te Ospel, was Pastoor Vullers reeds oud en ziekelijk. Hij las nog wel de H. Mis. Gaf ook nog catechismus aan de grotere kinderen. Maar voor het overige moest hij veel aan de kapelaan overlaten. Hij stond bij zijn volk hoog in aanzien.

Toen Pastoor Vullers 27 juni 1889 zijn zilveren pastoorsjubileum vierde, ontving hij een brief van zijn Bisschop, Mgr. Boermans, die hem schreef: “hetgeen gij Weleerw. Heer en Vriend in dat lange tijdsverloop voor uw dierbaar Ospel gedaan hebt, behoeft in geen brons gegraveerd noch in steen gebeiteld te worden, want de parochianen van nu en van de toekomst zullen het dankbaar in levende herinnering blijven gedenken.”

Ontleend aan: N.N., 100 Jaar parochie Ospel [Ospel 1964]