Skip to content

Petrus Adams

1877-1945

Hij werd geboren te Beegden 3 aug. 1877 en priester gewijd te Roermond 15 maart 1902. Van 1902 tot 1930 was hij leraar en de laatste jaren provisor van het Bisschoppelijk College te Weert. Hij werd tot pastoor te Ospel benoemd in sept. 1930.

Oud – parochianen van Pastoor Adams spreken nog gaarne over hem als de herder, bij wie zij zich thuis gevoelden. Ofschoon hij niet sterk van gezondheid was en zichzelf daarom vaak moest ontzien, bewoog hij zich veel onder zijn parochianen, om zich met hen te onderhouden en met hen mee te leven in hun wel en wee. Door regelmatige zielzorg heeft hij zijn uitzonderlijke talenten van geest en hart aan de parochianen dienstbaar gemaakt. Onder de oudere parochianen van nu leven nog gezegden en uitdrukkingen, die van Pastoor Adams komen en die getuigen van zijn rijk priesterlijk gemoed. Steeds bezorgd, dat hij niemand zou krenken, wist hij de blijde boodschap van het Rijk Gods verrassend en welsprekend te verkondigen. Iemand vertelde me: er was eens een vergadering van de Groene-Kruis-vereniging, die op z’n best was aangekondigd en om meerdere motieven waard was door een grote toeloop van volk bezocht te worden. Toch verschenen er slechts een paar mensen. In schone zelfbeheersing zeide Pastoor Adams vanachter de bestuurstafel: “Zijn er dan geen 10 genezen? Waar zijn dan de 9 anderen?’ ‘

Pastoor P. J. Op het Root, geboren en getogen Ospelnaar, die een klasgenoot van Pastoor Adams was en hem van nabij gekend heeft in de uitoefening van het herdersambt, heeft in zijn nagelaten geschriften een nagedachtenis aan hem gewijd. Ze wordt hier gaarne ter lezing geboden: “Pastoor Adams was een kalme, rustige figuur, waar ieder graag mee te doen had, die mooi preekte, een drukke biechtstoel had en ieder, die met zijn moeilijkheden tot hem kwam, met raad en daad wist bij te staan. Vele van zijn preken waren, behalve doelmatige zielzorg, klassieke voorbeelden van gewijde welsprekendheid, waarmee hij zelfs tot het eenvoudigste hart wist door te dringen.

Tijdens zijn pastoraat is de centrale verwarming in de kerk aangelegd, bij welke gelegenheid een nieuwe ruime sacristie achter het priesterkoor werd aangebouwd. Het zustersklooster, dat eigendom was van het kerkbestuur, werd aan de Zusters Franciscanessen te Heythuysen verkocht. Het “Mariahuis” is door hem gebouwd en het kerkhof vergroot door grondaankoop van de kostersfamilie.

Op 27 september 1944 kwam de kerktorenspits, opgeblazen door een dynamiet-explosie, naar beneden tussen de 4 torenmuren en vernielde het torenuurwerk en het orgel. Het bleef gelukkig liggen op het benedengewelf van de toren, zodat de kerkgangers er geen hinder van ondervonden.

Het is nog gelukkig afgelopen, zei Pastoor Adams. Als het daar maar bij blijft, dan ben ik blij. Hij had er al erg onder geleden, dat de klokken uit de toren waren geroofd. En toen hij van zaterdag op zondag 1 oktober 1944 voor een granaatregen de kelder van de pastorie had moeten invluchten, kwam hij ’s zondagsmorgens met de klacht over inwendige pijnen de sacristie binnen.

Op 9 oktober 1944, toen Ospel op bevel van de Duitsers moest evacueren, nam hij zijn intrek in het zustersklooster, vanwaar hij 16 oktober door de Engelse Rode-Kruis-dienst naar het ziekenhuis te Weert werd overgebracht. Toen beterschap uitbleef, werd begin december operatief ingegrepen, wat evenwel geen baat meer mocht opleveren. Met de tragische achtergrond van zijn verbrijzelde kerk, stukgeschoten pastorie en gehavende parochie stierf hij in het ziekenhuis te Weert 15 december 1944.

Op 18 december, na een plechtige lijkdienst in de St. Martinuskerk te Weert, werd hij te Ospel om half één ’s middags door de Hoogeerw. Heer Deken Souren van Weert in tegenwoordigheid van slechts enkele geestelijken en gelovigen in alle stilte, zoals hij stil geleefd had, op het kerkhof begraven; op verlangen van de familie dicht bij het Mariahuis, dat door hem gebouwd was.

Toen Pastoor Adams op 16 oktober 1944 naar ’t ziekenhuis te Weert was gebracht, kwam zijn nieuw benoemde kapelaan J. Tindemans, die zich reeds te Weert bevond, naar Ospel om de zielzorg waar te nemen. Daar Pastorie en Kapelanie onbewoonbaar waren, nam hij zijn intrek in ’t Zustersklooster. Van hieruit heeft hij in de bevrijdingstijd met volle toewijding, vaak met levensgevaar, tussen de granaten door de vele oorlogsslachtoffers van de laatste H. Sacramenten voorzien en onder moeilijke omstandigheden begraven. Na de bevrijding was zijn eerste werk een hulpactie in te stellen, om de zwaarst getroffenen zoveel mogelijk te helpen. Op de zolder van de jongensschool, die vrij gelukkig uit de oorlogsmisere was gekomen, liet hij een noodkerk inrichten, omdat de gehavende parochiekerk onbruikbaar was geworden voor de kerkelijke diensten. In de kapelanie liet hij enige ruimten bewoonbaar maken, die hij tegen nieuwjaar ’45 betrok. Omdat de Bisschop van Roermond, Mgr. G. Lemmens, sinds 20 jan. ’45 naar Leeuwarden was geëvacueerd, was de benoeming van een nieuwe pastoor, die pastoor Adams zou opvolgen, voor langere tijd niet te verwachten.

Ontleend aan: N.N., 100 Jaar parochie Ospel [Ospel 1964]