Skip to content

Peter Knapen

(1753-1786)

In het 18e eeuwse Limburg kenden wij hier de benden van de Bokkenrijders. Het hoogtepunt van hun optreden ligt in de tweede helft van die eeuw en wordt gekenmerkt door een gruwelijke en meedogenloze vervolging van de bendeleden door de wereldlijke overheid. Over de achtergronden van de beweging is niet veel bekend. Vast staat wel dat de leiders tot de kringen van intellectuelen, notabelen en ambachtslieden behoorden. Een Nederweertenaar was lid van deze bende.

Peter Knapen, bijgenaamd Knapen Smid, werd in Nederweert geboren op 2 november 1753 als zoon van Antonius Knapen en Joanna van de Vin. Al op vrij jeugdige leeftijd moet hij zijn geboortedorp verlaten hebben, want in 1776 werd hij ingeschreven als lid van het gilde van Sint Eloy in Maaseik. Tot dit gilde behoorden de smeden en landbouwers. Knapen trouwde daar op 3 april 1780 met een zekere Maria Helena Janssen. Er zijngeen kinderen uit dit huwelijk bekend.

Knapen heeft vrij snel carrière gemaakt in de Bokkenrijdersbende, want gevangen genomen bendeleden vertelden in hun – op de pijnbank verkregen – verklaringen dat Knapen Smid een van de belangrijkste leden van de bende was. Bij de eedsaflegging in de kapel van Ophoven zou hij namelijk tot het viermanschap hebben behoord dat voor het altaar de eed afnam. Bij zo’n eedsaflegging vonden allerlei ceremo

Peter Knapen was betrokken bij de brandbrief in het Agnetenklooster in Maaseik waarbij de zusters onder bedreiging met brandstichting een som geld werd afgetroggeld. Het aandeel van Knapen in de buit bedroeg drie dukaten, een kroon en wat kleingeld. Ook zou hij betrokken zijn geweest bij de beroving van de kerk van Stramproy en zou hij vervolgens geholpen hebben bij het verkopen van de daar behaalde buit in het Duitse Wassenberg. Op 8 december 1784 had de bende een poging ondernomen om een huis op de Markt in Maaseik te beroven. Toen zij in hun werk werden gestoord door de nachtwacht, waren bij was geweest, zinde deze vlucht allerminst want beschuldigend verweet hij een van zijn compagnons: dou waerts te bangh, wij sou den er anders gauw in geweest sijn (“jij was te bang, anders waren we al lang binnen geweest”).

Verscheidene malen was Knapen nog betrok ken bij het leggen van brandbrieven, zoals bij het woonhuis van Hoever Christiaan in Stramproy. Bij zijn activiteiten in de Bokkenrijdersbende maakte Knapen handig gebruik van zijn ervaring als smid. Want bij de voor bereidingen voor de overval van enkele boerderijen in Ophoven en de pastorie van Kessenich had Knapen “vijftien vierkantige ijsere moortpriemen” gesmeed om iedereen die verzet zou plegen dood te steken.

In tegenstelling tot veel van zijn kameraden is Peter Knapen nooit gegrepen voor zijn daden. Toen de grond hem te heet onder de voeten werd vluchtte hij naar Wetten bij Kevelaer en woonde hij daar een tijdje in bij zijn oom die pastoor was. Vandaar ging hij in dienst van het Pruisische leger. Hij lag in garnizoen te Wesel en stierf tijdens zijn dienst, vóór oktober 1786. En daarmee kwam een eind aan de criminele carrière van deze Pinmaeker onder de Bokkenrijders.

Alfons Bruekers.