Een naam die in de lijst van markante dorpsgenoten niet ontbreken: Maria Catharina van de Boogaert-Ketelaers, beter bekend als Marie-Katrien.
Bijna iedere morgen tussen acht en negen kon je haar zien gaan, met haar stevige, regelmatige stap, op de weg van Nederweert naar Weert, Marie-Katrien, met het van zorgen doorgroefd gezicht, omlijst door de flets-gele haren, die slordig in een knot bij elkaar gehouden worden. Marie-Katrien, met het zwarte kalotje, met het zwarte satijnen lint onder de kin, met de vaalgroene rok, die eens zwart moet zijn geweest en de geblokte blouse, die weer en wind heeft getrotseerd en als het ware met de vrouw is vergroeid. Marie-Katrien, met de zwarte wollen schouderdoek, ’s winters vast om de smalle schouders geslagen, haar vlugge voetjes met jubeltenen in gymschoenen, maat 42, die vastgemaakt zijn met touwtjes met zwierige pluimen.
Ze is wel twee meter lang en zo dun als een stokvis. Ik geloof, dat er geen tijd is geweest, dat ze er niet was: bijna dagelijks, al was het nog zo koud, of schoon de zon nog zo fel, zag je haar langs trekken, met haar onafscheidelijke korf in de arm, in de andere hand een stevige knuppel als wandelstok en als verdediging tegen de spotlustige jeugd. Ze was dan ook nog niet buiten de deur van haar huisje, tegenover de meisjesschool, of het gejouw begon al: ‘Marie-Ketrien heet heur gaat verbrandjt, Zeven blaore aan eine kanjt!’
Van de kleine bewaarschooldreumes tot de grote slungel van de zevende klas zong ’t. En kwam ze in Weert in de stad, dan begon het natuurlijk weer opnieuw en nog erger misschien, want in Nederweert hadden ze nog een beetje respect voor deze ‘wandelende vracht rijdster’, die jaar in, jaar uit, boodschappen voor de mensen afhaalde, aan het hoofd stond van bedevaarten naar Ommel, Roermond, ja zelfs naar Wittem, waar ze te voet heenging. Als ze dan ook met je sprak, wist ze je met trots te vertellen dat ze alles bij elkaar meer dan 7 keer om de wereld heeft gelopen. Ja, ze heeft zelfs in de ‘gazet’ gestaan!
De meeste mensen vonden het amusant een praatje met haar te maken en dikwijls vooral om haar leuke uitspraak. Ze kon n.l. de letter r niet uit spreken. Als je haar vroeg of ze getrouwd was, zei ze met haar harde nazale stem: Jao, mel miene Flans ès dooëd, dee lik guns (wijzend naar de kant van de kerk) op het kelkhof. Miene Flans waas eine gooie en ig wil geine angele miel. Ig heb nog eine staak, eine boonestaak! Dao kloptje Flans altied mèt op de glond, toen hè zeek waas. Dae bewaal ich good. Oudere mensen hebben Flans nog allemaal gekend. Men zegt, dat ze toen een paardje hadden en een plat karretje op twee wielen, waar Marie-Katrien en Frans samen de boodschappen mee haalden. Maar na de dood van haar ‘echtgenoot’ werd het paardje afgeschaft en deed Katrien alles te voet.
De café’s langs de Zuid-Willemsvaart hadden geen slechte aan haar. De waarden beschouwden haar als een vaste klant en na de boodschappen ging ze er geregeld ‘eentje nemen’. Jao, beweerde ze, veul eine aoје klaole, dao…dao maakdje ich eine pluus (pruus, Duitser) veur kapot. Het is dan ook meermalen gebeurd dat men haar om 10, 11 uur ’s avonds met een stuk in de kraag over straat heeft zien laveren!
Maar toen kwam de oorlog en de boodschappen voor Marieke minderden. De tijd ging vooruit en ook het dorp ging vooruit. Men kon zijn waren gemakkelijker krijgen dan door Katrien. Wel moest ze nog iedere keer voor de kerk de hosties gaan halen. Maar ze moest nu toch iets anders uitvinden om aan de kost te komen. De laatste jaren zag je dan ook in het Kerkklokje: ‘Marie-Katrien wenst allen een Zalig Nieuwjaar. Uw adres voor het breien van kousen, sok ken en handschoenen.’ Op een zonnige dag in augustus 1945 ging echter de mare door het dorp: Merie-Ketrien is dooëd! en het hele dorp betreurde de dood van de meest populaire en oudste inwoonster.
Auteur: onbekend. Gepubliceerd in: De Turf, 20 januari 1948.