De nachtwaker moest vroeger toezien op de veiligheid van de bewoners in de dorpskern, verdachte toestanden signaleren en in geval van brand de omwonenden waarschuwen. De functie verschilde wezenlijk van de nachtwacht of burgerwacht. De nachtwacht vormde een bewapende paramilitaire organisatie die inzetbaar was in tijden van oorlog of onlusten. De nachtwaker daarentegen was een ongewapende gemeentelijk ambtenaar.
In 1827 werd de nachtwaker van Nederweert, Conraad van Riet, ontslagen. Hij had het ambt altijd gecombineerd met zijn eigenlijke beroep (linnenwever), dat hij uitoefende in de Koolensteeg vlak achter het oude raadhuis. De 54-jarige Van Riet werd opgevolgd door Maan Verboeket. Ook voor hem was dit een combibaan, want de 40-jarige Verboeket was bakker. Hij was dus gewend aan het werken op onregelmatige uren. Hij woonde ook in de Koolensteeg, bij de kruising van de Burg. Greijmansstraat en de Houtmolen.
De nieuwe nachtwaker kreeg bij zijn indienstreding een uitgebreide instructie mee. In het winterseizoen, van 1 oktober tot 1 maart, moest hij elke nacht van 22.00 uur tot 04.00 uur zijn ronde maken. In de zomermaanden was zijn dienst korter, van 23.00 uur tot 03.00 uur ’s nachts. Zijn vaste route liep als volgt: eerst de Kerkstraat, dan de Weertersteeg (Paulus Holtenstraat), vervolgens Koolensteeg (Burg. Greijmansstraat), Straatje (Moesemansstraat), pastorie (Ouderencentrum St. Joseph) en terug over het kerkhof van de St. Lambertuskerk naar zijn huis in de Koolensteeg.
Verboeket kreeg van gemeentewege een grote geelkoperen hoorn ter beschikking, die aan een leren riem om zijn schouder hing. Bij alle uurslagen van de torenklok moest hij daarop blazen. Door het afgeven van een signaal kon iedereen horen dat alles veilig was. Het gebruik van die hoorn gold alleen in de zomermaanden. Dat had een praktische reden; bij vorst in de wintermaanden zouden de lippen kunnen vastvriezen aan het koude metaal. In plaats van de hoorn mocht dan een klepper worden gebruikt.
De locaties waar de hoorn geblazen moest worden waren eveneens nauwkeurig voorgeschreven. In de Weertersteeg was dat bijvoorbeeld bij de houtzaagmolen van Coumans (nu hoek Paulus Holtenstraat en Houtmolen). Het verste punt lag bij de woning van Trouwen (Gieëne, nu eetcafé Bi-j Guulke op de hoek van de Kerkstraat en Geenestraat). Maar ook bij zijn eigen huis, waar de ronde eindigde, moest hij bij aankomst een luid signaal geven.
Bij nacht en ontij moest Verboeket dus de straat op. Zag hij opvallende dingen tijdens zijn rondgang, dan moest hij dat de volgende ochtend melden bij de burgemeester (het hoofd van politie). In geval van brand moesten de buurtbewoners natuurlijk acuut met hoornsignalen gewaarschuwd worden. De meest opmerkelijke eis aan de nachtwaker was wel dat hij nooit op klompen mocht lopen. De reden lag voor de hand: bij de achtervolging van dieven en nachtbrakers moest hij hard genoeg kunnen rennen. Met klompen aan zijn voeten zou hem dat nooit lukken.
Alfons Bruekers