Skip to content

Josef Kessels

(1916-1979)

In de leeftijd van 63 jaar is overleden de heer J.W. Kessels, gemeentesecretaris van Nederweert. Jozef Kessels, die al geruime tijd ziek was, werkte sinds 1935 bij deze gemeente. Op grond van zijn vele verdiensten werd hij in 1975 bij zijn 40-jarig ambtsjubileum tot ereburger van Nederweert benoemd. Bovendien bezat hij de Pauselijke onderscheiding Pro Ecclesia et Pontifice en was hij drager van de Gregorius-medaille. Kesels, die zijn loopbaan als volontaire startte, bouwde door studie, inzet en ijver zijn carrière op. Hij bekleedde o.m. de functies van gemeente-ontvanger, hoofd van de afdeling financiën en hoofd van algemene zaken. Lange tijd was hij ook waarnemend secretaris. Per 1 september 1977 werd hij tot gemeentesecretaris benoemd.

Naast zijn dagelijks werk, dat hij met grote nauwgezetheid en werklust deed, toonde Kessels ook veel inzet en interesse voor het verenigings- en gemeenschapsleven. In die vele jaren vervulde hij tal van bestuursfunkties, zoals: bij de studentenvereniging (mede-oprichter), St. Vincentiusbibliotheek en -vereniging, sociaal caritief centrum, mede-oprichter van de openbare leeszaal en bibliotheek, gemeenschapshuis de Pinnenhof, Buurtschap, school- en kerkbestuur van de St. Lambertusparochie, kerkelijk zangkoor en voorzitter van de plaatselijke harmonie St. Joseph. Hij nam talrijke initiatieven, die bijdroegen tot de ontwikkeling van de gemeente.

Dagblad De Limburger, 3 september 1979.

Zijn zoon, journalist Gerard Kessels, keek als volgt terug op zijn vader:

Voetbalclub Merefeldia heeft zelden een fanatiekere supporter gehad dan mijn vader Josef. Ze stonden altijd met zijn drieën naar het eerste te kijken: mijn vader, ome Tje en de kapelaan. Meestal was de kapelaan iets later. Rond de tijd dat het voetballen begon, moest hij ’s zondagsmiddags nog een lof doen. Dat werkte hij af in hoog tempo dat ook voor de Heer zelf nauwelijks te volgen moest zijn. Vervolgens fietste hij in Don Camillo-tempo naar het voetbalveld waar hij lichtelijk buiten adem arriveerde en zich bij Josef en Tjeu voegde.

Ongelooflijk wat voetbal teweeg kan brengen. Elke keer dat ik er als kind bij stond, verbaasde ik me hoe het mogelijk is dat een keurige, ijverige ambtenaar als mijn vader plotseling een ander mens werd. Deze rustige overheidsdienaar en vader van zes kinderen veranderde zondagmiddag klokslag half drie in een schreeuwende en armzwaaiende zenuwpees. Gelukkig beperkte zijn hooliganisme zich tot het verbale. Vooral de grensrechter van de tegenpartij die vlak voor het drietal op en neer draafde, kreeg het zwaar te verduren. Elke keer dat hij de vlag hief ten nadele van Merefeldia, kreeg hij van Josef en Tjeu te horen dat hij stront in zijn ogen had. De kapelaan zei niks, maar knikte goedkeurend.

Soms gingen ze zo tekeer dat ik vol plaatsvervangende schaamte maar een eindje verderop ging staan. Waar maakten ze zich toch zo druk over? Dat zal mijn vader zich ook wel eens afgevraagd hebben, maar altijd pas na het laatste fluitsignaal. En als Merefeldia gewonnen had, kwam het berouw eerder dan na de nederlaag. Ome Tjeu, een manneke met veel kif, had ook weer snel spijt. Ooit gaf hij zichzelf een rode kaart en bleef, tot verbazing van heel Merefeldia, inderdaad de volgende wedstrijd thuis. In de partij tegen Guttecoven had hij luidkeels zo plastisch gejongleerd met de plaatsnaam van de bezoekers, dat hij het zelf te gortig vond.

Roepen, schreeuwen, schelden, dat wel, maar ze bleven altijd keurig achter de afrastering. Op die ene keer na. Mijn broer had een van die zeldzame optredens in het eerste. Toen hij onderuit werd getrapt, rende mijn vader protesterend het veld op. Maar zijn handen hield hij thuis, altijd.

Ooit begon het plotseling te stortregenen. Heel het publiek vluchtte onder een kleine overkapping bij de ingang van het veld. Ik rende met de massa mee. Mijn vader niet. Hij bleef onverstoorbaar achter, als enige. Vanonder de beschutting zag ik in de verte een eenzaam stipje in de grijsgrauwe watermassa. Hij gesticuleerde wild, zoals altijd. En vaag hoorde ik hem, boven het geroffel van de regen uit, iets lelijks roepen. Meteen floot de scheidsrechter af. Hij riep de aanvoerder van Merefeldia bij zich en stuurde hem naar mijn vader. Onder de overkapping werd het doodstil. Toen zei iemand droogjes: “De scheidsrechter laat aan Jozef vragen of hij goed fluit”.

Meer dan twintig jaar is mijn vader nu dood. Heel vaak als ik aan hem denk, zie ik weer dat stipje in eindeloze regen. Alleen zwaait hij nu naar mij.

Gerard Kessels, Dagblad De Limburger, 22 april 2000.