Skip to content

Jan Trouwen

(1768-1816)

Van een groots en meeslepend leven als koning of keizer konden de Nederweerter boerenzonen alleen maar dromen. Slechts als lid van de schutterij kon men ‘koning’ worden; een enkele schutterskampioen werd zelfs ‘keizer’. Prinsdom en vorstenschap bleven beperkt tot Vastenavond. Boerenzoon Godefridus Bruekers uit Kreijel kwam enigszins in de nabijheid en schopte het tot lid van de keizerlijke garde van Napoleon.

De fantasie van Jan Trouwen uit Budschop kende geen grenzen. Deze ongehuwde boerenzoon van een rijke familie was rond 1809 op zijn 40ste krankzinnig geworden. Trouwen was goed opgeleid (hij sprak en schreef vloeiend Frans) maar door zijn geestesgesteldheid en drankzucht vertoonde hij bizar en gevaarlijk gedrag. Hij waande zich keizer Napoleon, had last van woedeaanvallen en was handtastelijk. Jan zag overal complotten en beschuldigde de pastoor en kapelaans van het onderhouden van seksuele relaties met hun dienstmaagden en verdacht hen bovendien van het beheksen van zijn boerderij.

Joost Welten beschrijft in zijn boek dat Jan Trouwen meende dat hij écht een keizer was. Hij regeerde als een vorst vanuit zijn boerderij aan de weg van Budschop naar Kreijel. Hij deelde onderscheidingen uit aan inwoners en gaf geschenken aan kinderen die zijn keizerlijke waardigheid erkenden. Trouwen had in zijn fantasie ook een keizerlijke hofhouding met maitresses. In werkelijkheid waren dat drie jonge dienstmeisjes uit café’s in Nederweert en Weert, aan wie hij geregeld liefdesbrieven schreef en aan wie hij een keizerlijke status had verleend. Ook aan andere inwoners schreef Trouwen dwaze brieven, zoals aan kruidenier Meewis en klokkenmaker Michiels. Daarin schreef hij dat hij in afwachting was van de levering van staatsiekleding en een karos met zes paarden.

Om Jan Trouwen’s waandenkbeelden en ingebeeld keizerschap konden de Nederweertenaren nog wel lachen. Dat gold niet voor de gewelddadige trekjes van deze boerenkeizer. In 1810 verzochten zijn familieleden de rechter om Jan onder curatele te stellen. Nog voordat de procedure was afgerond, escaleerde de zaak. In augustus 1811 had Trouwen een aanslag gepleegd op de gemeenteveldwachter, die hierbij zwaargewond was geraakt. De gendarmes verschansten zich rond het huis van de dader en zagen hem rond één uur ’s nachts thuiskomen. Hij had een gevaarlijke hond bij zich en toen Jan de gendarmes zag sloeg hij als een wildeman op hen in. De gendarmes sloegen terug met hun sabels en verwondden Trouwen aan hoofd, schouder en hand. Hij vluchtte zijn huis in en werd de volgende ochtend alsnog gearresteerd. De rechtbank achtte hem niet toerekeningsvatbaar en in 1812 volgde de daadwerkelijke onder curatelestelling. Hij mocht blijven wonen in het ouderlijk huis waar zijn zus en schoonbroer op hem pasten.

De boerenzoon overleed een jaar na het “Waterloo” van zijn idool keizer Napoleon, op de 12e april 1816 in de leeftijd van 48 jaar.

Alfons Bruekers