Skip to content

Jan Antoon Corts

( ? – 1752)

‘Hier kom ik nooit meer uit’, moet de beruchte gouddief Jan-Antoon Corts verzucht hebben. Hij hoorde op dat moment de deur van het cachot onder het Nederweerter gemeentehuis met een harde klap achter zich dichtvallen. Het was het jaar 1752.

In de jaren twintig van de vorige eeuw werd een nieuw gemeentehuis gebouwd, het huidige pand Kerkstraat 65, tegenover de kerk. Bij de afbraak van het oude raadhuis vond men achter een dichtgemetselde deur een keldertrap. Die leidde naar een onderaardse gang met daaraan een drietal gevangeniscellen, die ooit met een zware deur waren af te sluiten. De cellen waren ongeveer 1.50 meter in het vierkant, hadden geen lichttoetreding en slechts een klein ventilatiegat. Aan de muren bevonden zich smeedijzeren ringen waaraan de gevangenen vastgeketend konden worden. In het pleisterwerk van de achterste cel werd ingekraste graffiti gevonden. Men las daar de naam ‘Joannes Antonius’ en het jaartal 1752. Het waren de laatste uitingen van de vermaarde crimineel Jan-Antoon Corts die in de Nederweerter cel wachtte op zijn veroordeling.

Het was de tijd waarin Bokkenrijders en allerhande gespuis dat voor galg en rad was opgegroeid,de omgeving onveilig maakten. Corts was lid van zo’n regionale bende. Toen in de zomer van 1752 in de Ospelse en Astense Peel een grote klopjacht op vagebonden en criminelen werd georganiseerd, trof men 13 personen aan die zich daar verborgen hielden. Onder hen waren ook de vrouw en het kind van Jan-Antoon Corts. Laatstgenoemde wachtte op dat moment in Nederweert op zijn vonnis . Het liep niet goed voor hem af; Corts werd veroordeeld, levend geradbraakt en na met gloeiend hete tangen gruwelijk verminkt te zijn aan zijn bovenlichaam, met rad en al op een brandstapel verbrand.

De reputatie en het gruwelijke levenseinde van Jan-Antoon hebben na zijn terechtstelling nog lang nageklonken in Nederweert. Een krantenartikel dat in 1921 gewijd was aan de ontdekking van de oude gevangenis, rept over herinneringen van bejaarde inwoners. Zij wisten nog dat ze als kind aangezegd kregen ‘Jan-Antoon zal uch krieëge’, als ze niet wilden luisteren naar het ouderlijk gezag. Maar ook op andere manieren heeft Jan-Antoon zijn sporen tot in onze tijd nagelaten. In het Algemeen Rijksarchief in Den Haag bewaart men de verslagen van de verhoren waaraan Jan-Antoon onderworpen is geweest. Tijdens die ongetwijfeld weinig zachtzinnige ondervragingen gaf hij de geheimtaal prijs waarmee Corts en zijn kompanen spraken.

Taalkundigen zijn op dit moment bezig met het analyseren van zijn schelmenbargoens, dat uit honderden woorden bestaat. Zodoende weten we bijvoorbeeld: sossem=paard, gallach=pastoor, grommen=kinderen, knol=horloge en mokum=stad. Corts’ laatste woorden tijdens het verhoor waren “per bestiept de pen en fiktste in de fonken” hetgeen betekent: “pak de ijzeren tang en steek ze in het vuur”. En, bizar toeval of niet, dat was ook precies de manier waarop hij niet veel later aan zijn levenseinde kwam….

Alfons Bruekers