Skip to content

Graad van Deursen

(1896-1987)

De voor Ospel zo markante figuur Graad van Deursen – beter bekend als Ruivers Graadje – is onlosmakelijk verbonden met de Groote Peel, waar hij zoveel heeft rondgezworven en busladingen vol met bezoekers heeft rondgeleid. Hij was een groot natuurkenner en een hartstochtelijk jager, die tot op hoge leeftijd bijna dagelijks in de Peel te zien was, waar hij thuis hoorde, net zoals “zijn” meeuwen op het Blaakven. Vanwege zijn grondige kennis van de natuur werd hij vaak geraadpleegd. Van zijn vele vrienden in binnen- en buitenland zijn de Ospelse priester-schilder Jean Adams en diens vriend de grote toneelspeler Albert van Dalsum, die samen in de Peel tot rust kwamen, wel de bekendsten. Onder de titel Prakkezatie publiceerde Adams onderstaande biografische schets van Graadje van Deursen

Prakkezatie

Er zijn mensen, die een naam hebben, die volledig bij hen past veel. Ze zouden niet anders kunnen geheten worden. Zo past de naam Graadje bij mijn vriend Graadje. Me dunkt, dat er moeilijk iemand nog geboren kan worden en gedoopt met de H. Gerardus als patroon, die de naam Graadje zo waar kan maken en hem boordevol vullen met zijn hele wezen. De naam is rijp geworden om dat Graadje, zoals de schil van een appel rijp geworden is om de appel. Graadje woont helemaal in zijn naam. Graadje gaat als Graadje zo recht en zo kwiek, hij kijkt en loert als Graadje, hij lacht ook zo en hij is zo slim als die naam zelf. Dat deze naam een verkleiningsvorm is, geeft er dien aardigen kronkel aan, die aan Graad zou ontbreken. “Wat is in een naam?” vraagt de Engelsman, met minachting voor de naam. Ik meen, dat daar zeer veel in zit. Soms de hele mens.

Dat Graadje is een wonderlijk man. Het is moeilijk te achterhalen, wat zijn eigenlijk beroep is. Hij is van alles en hij heeft verstand van veel. Hij is boer, hij is caféhouder, hij is tuinman, hij is dodengraver en onderhoudt het kerkhof, hij is jager, hij is hondendresseur en hij is koor zanger. Rijdt een dag lang met de fiets rond, gij zult niemand vinden, die zo uiteenlopende beroepen in zich vertegenwoordigt. Daarbij doet hij nog alle mogelijke dingen, die men onder geen beroep of vak kan onderbrengen. In de tijd, dat de lindebloesem aan de bomen geurt, organiseert hij een hele campagne voor het plukken van de bloesems, die hij dan op zolders droogt. Voor pitten van wilde kersen betaalt hij goed geld, zodat kleine en grote kinderen er een aardige cent voor de kermis van opzij kunnen leggen.

Wie een kievietsei gevonden heeft, kan dat bij hem kwijt. Ook houdt hij bijen. Ook zoolt hij de schoenen voor zich, de vrouw en de kinderen. En in de lange winteravonden zit hij na de rozenkrans nooit stil: er is al tijd het een of ander karweitje naar gelang het van pas komt, zij dit het vlechten van ‘n stoelenmat of een mand of is het maar het snijden van klompen pinnetjes uit essenhout of. uit hondshout.

Hij is jager van formaat. Dat hij een voortreffelijk jager is, hoeft, omdat hij vroeger een geduchtig stroper was, niet zozeer te ver wonderen als dat hij op de jacht voortdurend blijk geeft van zijn fijne liefde voor de natuur. Hij kent niet alleen alle manieren van het wild, waardoor hij alleen meer hazen schiet dan de gezamelijke jagers uit de streek bij elkaar – en eenden, fazanten, patrijzen en watersnep pen van hetzelfde! – doch hij kent met naam en toenaam alle grote en kleine vogels en alle merkwaardige planten met hunne geschiedenis erbij. Hij kent secuur de trek van eenden en wilde ganzen en waar hij zich opstelt, vallen ze uit de lucht.

Als hij kievieten gaat zoeken in April, dan vindt hij de kievietsnesten beter dan wie ook, omdat hij gescherpte ogen heeft, echter meer nog omdat hij op dezelfde wijze zoekt naar het nest gelijk de kieviet zocht naar de plaats ervoor. Als hij de eitjes gevonden heeft, legt hij ze in zijn hand en kijkt er met een scheefgehouden hoofd bewonderend naar. Hij schrijft met zijn vinger de tere arabesken na en legt U de mimikri uit, waardoor de eitjes verschillend zijn van toon naar gelang ze gelegd zijn op een koren veld, in het weiland, of op de open hei. Eitjes op een zwart afgebrande hei zijn als verbrand zo zwart! Heeft de hond de eend geapporteerd, dan strijkt Graadje het fluweel der veertjes glad met een raar soort medelijden tegelijk met die binnenvreugde, die een mens kan beleven als hij de verre wo derlijke dieren der schepping met kennis en kunst naar zich toe gehaald heeft en ze tot zijn eigendom gemaakt.

Met zijn honden praat hij als met mensen. Zijn café is een boeiend café en hij wil niet, dat het een andere pretentie heeft. Dat neemt echter niet weg, dat er een olieverfschilderij van een paardekop hangt, omdat hij zo’n paardekop een geweldig verschijnsel vindt. En waarom, zo meent hij, mag in mijn café niet het portret hangen, dat eens een schil der van hem maakte en waarop hij trots is. Toen hij eens een paard had moeten afmaken, legde hij de paar dekop in een groot mierennest en haalde hem er na enige tijd schoon en blank uit en hing het karkas ach ter in zijn tuin aan een tak en het is nu zijn plezier dat in de oogholte van de kop een koolmeesje getimmerd heeft.

Ja, dat Graadje is een knap man. In hem bruist het leven aan alle kanten. In zijn formaat is hij ie mand uit de Renaissance, voor wie ik meer bewondering heb dan voor zovele gewichtig doende geleerdheid die zo vaak buiten het waar achtige leven staat. Dit portret is waarachtig. Zelfs de vrouw zegt vandaag: “Het is zo”. En wanneer de een of andere jaloerse Limburger zou zeggen: “Het is eine goje mins, mer hae most eine borrel lusten”. Welnu: die lust Graadje ook.

Jean Adams (ingekorte versie). Eerder gepubliceerd in: Nederweerts Verleden, Met naam en toenaam (2002) p. 256-257.