Een aantal Nederweertenaren woont in de Pastoor van der Steenstraat zonder waarschijnlijk te weten, wie deze naamgever was. Een aanduiding hiervoor geeft het archief van de St. Lambertusparochie, waar de volgende Latijnse tekst wordt weergegeven (in vertaling):
‘In 1597 overleed de Eerwaarde Heer Antonius a Lapide, deken en pastoor te Nederweert. Over deze voortreffelijke man hebben oudere inwoners van Nederweert, die hem veertig jaar geleden hadden gekend en meegemaakt, aan zijn neef en schrijver dezes in het jaar 1619 medegedeeld, dat toen de gravin van Horn, de echtgenote van Philips, graaf van Hom, die op bevel van de hertog van Alva in 1568 werd onthoofd, zoals wij hierboven hebben vermeld, op een Tweede Paasdag met haar koets naar Nederweert was gereden vergezeld door een aantal militairen van het kasteel en een ketterse voorganger’ en dat ze samen met de gewapende mannen en die voorganger midden onder de Mis de kerk binnendrong, terwijl genoemde pastoor bezig was het Evangelie te zingen.
De brave boeren verstoorden aldus, gesterkt en gelaafd door de H. Paascommunie, de vermelde prediking door geween en verhinderden de goddeloze predikant om het venijn van zijn valse leer verder uit te zaaien en dwongen hem zodoende aan zijn toespraak een einde te maken. Toen de gravin dit bemerkte, besteeg ze haar koets en haastte ze zich met de militairen en de voorganger naar Meyel, alwaar ze rond het middaguur arriveerde, voordat het volk uit de kerk naar huis had kunnen gaan. Daar liet ze haar pseudo-voorganger ongestoord preken.
Antonius van der Steen, beter bekend onder zijn alias ‘a Lapide’ of onder de typische seminarie- aanduiding ‘Peltanus’ , stamt uit de buurt van Overpelt, dat indertijd samen met Neerpelt kortweg Pelt of Peelt werd genoemd.
Is de benaming Peltanus eerder een wat oubollig latinisme, het even Latijnse a Lapide, is van geheel andere oorsprong. Deze Anthonis Cornelii a Lapide was de oudste zoon van Cornelis Cornelii, alias a Lapide, van Cauwelille (1490-1556), een voor die tijd welvarend, invloedrijk en aanzienlijk personage. Hij bewoonde waarschijnlijk het landgoed Nelishof aan de Winterdijk in Kaulille. Zijn echtgenote Catharijne stamde uit de familie van der Steene of a Lapide in Overpelt. Hun kinderen, maar ook Cornelis zelf, gebruikten bij voorkeur de naam van de familie van moederskant en dan liefst in de Latijnse versie. Niet alleen gaf dat wat meer standing, de Van der Steens waren zo mogelijk ook nog ‘voornamer’ en in ieder geval bekender dan de Cornelii.
Onze pastoor was dus eigenlijk geen echte Van der Steen of a Lapide en strikt genomen ook geen Peltanus, maar een Cornelii. Geboren rond 1522 studeerde hij aan de universiteit van Leuven met opvallend goed resultaat theologie, behaalde er zijn titel en werd daarna (rond 1556) priester gewijd. In 1566 werd hij benoemd tot pastoor van Nederweert en drie jaar later werd hij door zijn collegae op een synode te Roermond tot landdeken van Weert gekozen.
In het Liber Recommendationis Conventus Werthensis OFM wordt (in vertaling) vermeld: “Op 31-8-1579 ontsliep in Christus de hoogeerwaarde en weledelgeboren heer drs. Antonius a Lapide, pastoor van Nederweert, die ons klooster bij testament met een aanzienlijk legaat vereerde. Moge zijn ziel verstroosting ervaren. “
Bij zijn testament van 8 maart 1574 stichtte de pastoor vier studiebeurzen, twee kleine van elk 12 gulden Brabants en twee grote van 50 gulden Brabants per jaar. Als basis voor deze beurzen dienden een rente van 76 gulden, te betalen door de gemeente Leende, en een van 42 gulden ten laste van de gemeente Hamont. Omdat er zodoende een jaarlijks tekort van 6 gulden ontstond, moesten de toekomstige beheerders aanvulling zien te vinden uit de inkomsten uit zijn nalatenschap.
De kleine beurzen waren bedoeld voor kinderen van circa twaalf jaar uit onvermogende gezinnen, bij voorkeur van zijn verwanten of afkomstig uit Nederweert, Overpelt of Kaulille. De kinderen moesten veel vlijt betonen. Bij afwezigheid van een maand behoudens in geval van ziekte werd die tijd op de beurs gekort. Bleven ze langer dan drie maanden weg, dan verviel de beurs.
Was de beurs vacant, dan moest de ontvanger de pastoors van Overpelt en Nederweert waarschuwen, die dan vanaf de kansel de beurs konden aanbieden. Voor deze service moesten de nieuwe bursalen dan aan de pastoor een vergoeding van een stuiver betalen. Zij moesten wel een aanbeveling zien te krijgen van Matthias a Lapide te Bocholt, een broer van de stichter, en van Antonius a Lapide, een neef. Na hun dood werden zij vervangen door twee andere bloedverwanten en de pastoor en de oudste schepen van Overpelt, die als collatoren gingen optreden. In Nederweert moesten de pastoor en de oudste kapelaan aanbevelingen doen aan de burgemeester en de oudste armenmeester aldaar. De burgemeester had daarbij de eerste stem.
Concluderend mag toch wel gesteld worden, dat de gemeente Nederweert terecht een straat in het centrum naar deze pastoor uit lang vervlogen tijden heeft genoemd, al was hij dan geen bekende ‘zoon’. Zijn verdiensten, zowel tijdens zijn pastoraat als na zijn dood door middel van de studiebeurzen, waarvan ongetwijfeld een groot aantal Nederweertenaren, al dan niet ten onrechte, hebben geprofiteerd, geven hem zeker aanspraak op dankbaarheid. Al is dan een straatnaambordje zonder enige uitleg niet meteen te vergelijken met een ‘monumentum aere perennius’ …
Ontleend aan: PMEF Adriaens, Een Nederweerter pastoor in roerige tijden, in: Weert in woord en beeld: jaarboek voor Weert 1999 13 (1998) 28-32.