Hij werd op 14 september 1900 op “Hoebèssehof” in Nederweert-Eind geboren, waar hij op jeugdige leeftijd geconfronteerd werd met het dramatische overlijden van zijn moeder. Dit veroorzaakte bij de kleine Pierre-Jacques Schreurs zo’n shocktoestand, dat om het met zijn eigen woorden te zeggen: “Het weglopen in mijn bloed was geslopen en eenzaamheid en weemoed mij daarna het hele leven vergezelden”. Geen wonder dat Jacques al spoedig de vertrouwde omgeving van het “Eind” de rug toekeerde en aan het zwerven sloeg. Eerst in België en Frankrijk en later per schip over de hele wereld. Maar na ruim vijftig jaar was de globetrotter moe gezworven en keerde naar het Weerter land terug, waar hij vervolgens bij stukjes en beetjes zijn levensverhaal op papier ging zetten.
De aanvang op de oude boerenhofstee in Nederweert-Eind, waar op een gevelsteen te lezen stond: “Hoeben dit doen boewen; anno 1787”, en waar “Kuebke van Hoebèsse Bert” zoals Jacques ter plaatse werd genoemd er getuige van is hoe zijn moeder op weg naar de bakoven, midden op het erf in elkaar zakt. Het overlijden van deze vrouw en het afhalen van zijn tweede moeder “Poppedijntje” in Grathem, zijn zo subliem en Indringend geschreven, dat veel lezeressen en lezers het met de nodige interesse zullen lezen.
Het kanongebulder van de eerste wereldoorlog was nauwelijks verstomd of Jacques Schreurs vertrok uit Nederweert-Eind. Via Sittard belandde hij in Maaseik en later in Brussel, waar hij oog in oog kwam te staan met de verschrikkingen van de eerste wereldoorlog: krijgsgevangenen en vluchtelingen. Van daaruit trok hij via Antwerpen naar het Noord-Franse Haesbroeck. zijn zwerftocht deed hem bij een boerengezin belanden en alvorens hij van hieruit naar de wereldstad Parijs gaat, maakt hij er kennis met een van zijn vluchtige liefdesrelaties uit een hele reeks, die hem tijdens deze zwerftochten ten deel zullen vallen. In Parijs waar hij in totaal 12 jaar gewoond heeft, maakt hij kennis met de journalist Leo Faust, die met hem het Labdru-proces verslaat. Naast deze journalistieke arbeid, werkte hij als conciërge in een hotel, portier in een casino en nam alle baantjes aan die hem voor handen kwamen. Tussendoor bezoekt Jacques de Cote d’Azur, hing in Nice en Marseille rond en raakte betrokken bij de Spaanse burgeroorlog. Hier wist hij na gevangenneming op wonderbaarlijke wijze te ontsnappen.
Maar de omzwervingen en avontuurlijke ontmoetingen van Pierre-Jacques Schreurs zijn zo veelvuldig geweest, dat alleen de grote lijnen gevolgd kunnen worden. Hij monstert vervolgens aan op een Noorse boot, waarmee hij één jaar over de zeeën zwalkt en later op de “Belgenboot”, waarop hij een wereldreis zou voltooien. De eigenlijke aanleiding hiertoe is liefdesverdriet om een verbroken verloving. Het meisje van zijn dromen ging in een klooster en deed de avontuurlijke jongeman zozeer verdriet, dat hij bijna een eind aan zijn leven maakte. Lang bleef hij in India hangen, maar zijn rusteloos zoekend gemoed bracht hem tenslotte weer terug in zijn geboorteland.
De Duitse inval volgde, maar enige tijd hiervoor was Jacques getrouwd met een schildersmodel uit Den Haag. In deze stad werd hij door de Duitsers opgepakt en op transport naar Berlijn gesteld om te gaan werken. Maar na een verlof weigerde hij terug te keren en nog langer voor de Moffen te werken. Maar hij wordt opnieuw gepakt en dit keer moet hij om zijn talenkennis als telegrafist voor de bezetter gaan werken. Opnieuw weet hij te vluchten en komt andermaal in Frankrijk terecht,’ waar hij als koerier van legerofficieren in La Rochelle, zijdelings betrokken raakt bij de voorbereidingen van een aanslag op Hitler.
Een woelig leven, en op de vraag hoe hij dit alles heeft kunnen doorstaan, antwoordt hij kort: “lk ben een geboren optimist en ik denk dat optimisten alle moeilijkheden beter kunnen doorstaan”. “Hierna leek alles rustiger te worden”, aldus Pierre-Jacques. “De oorlog was voorbij en ik kreeg eerst een baan in het Kurhaus Scheveningen. Weer later ben ik demonstraties gaan verzorgen op grote beurzen in Europa. Dat heb ik tot mijn zeventigste gedaan.
“Een dwalend man door de twintigste eeuw” zoals ik de titel van mijn boek zou kunnen omschrijven, leek eindelijk rust te hebben gevonden. Maar nadat mijn vrouw aan een hartaanval was gestorven en nieuwe relaties niet altijd de beste bedoelingen schenen te hebben, leek ik mij in mijn alleen zijn te moeten schikken.
Inmiddels was ik terug gekeerd naar het Weertse. Of dat heimwee was naar mijn geboortegrond? lk weet het niet. In feite voel ik mij op de hele wereld thuis. Ik woon nu zelfstandig in mijn flatje in Weert, schrijf mijn hartroerselen in proza en poëzie op en ben gelukkig nog vitaal. Misschien ben ik mijn hele leven te goedgelovig geweest, zodat ik tot op latere leeftijd tegen teleurstellingen ben blijven oplopen. Maar als optimist sla ik er mij wel doorheen. Mijn geest is nog ongebroken en naast de kleine handicap van het slecht horen, weet ik mijn dagen nog inhoud te geven door het uitoefenen van enkele hobby’s, zoals kaarten, het beoefenen van sterrenkunde, het schrijven en reizen. Ja en dan… zoek ik nu in feite een uitgever voor mijn biografie, want hoe leuk en aardig ook het schrijven op zich zelf is, helemaal alleen voor jezelf doe je het toch ook niet”.
Leo Janissen, in: Weekblad Trompetter, 10 juli 1986 (ingekort).