Skip to content

Vester Lieëneke

In het begin van deze eeuw werden er nog veel spook- en heksenverhalen verteld. Dat was in een tijd waarin radio en televisie nog geen beslag hadden gelegd op de mens. De lange winteravonden werden gevuld met kaarten of “buurten”. Veel oude verhalen dreigen verloren te gaan, het is dus zaak zoveel mogelijk op papier vast te leggen voor het nageslacht.

Één van die verhalen herinner ik mij nog goed, het gaat over Vester Lieëneke. Dat was de bijnaam van een zeer arm en oud, kromgebogen vrouwtje. Zij moet gewoond hebben halverwege de tegenwoordige Peelsteeg, op een plek die vroeger genoemd werd “Aan de Touverstaak”. Het vrouwtje ging gekleed in lange schorten waarop ze wel eens trapte en viel omdat ze zo voorover gebogen liep. Wanneer dat gebeurde, vloekte zij alle duivels uit de hel bij elkaar, want het opstaan was vanwege haar stramme, misgroeide ledematen erg moeilijk. Soms werd zij door de mensen op de been geholpen wanneer ze zagen dat Lieëneke weer eens gevallen was. Over hen sprak zij een zegewens uit. Er waren er echter velen die haar niet durfden te helpen omdat er gefluisterd werd dat Lieëneke een heks was. Die mensen werden door haar vervloekt.

Zij leefde in grote armoe; sociale voorzieningen waren er niet veel in die tijd. Haar kostje moest ze bijeen scharrelen met bedelen. Soms kreeg ze van de mensen een stuk brood, wat melk en in de slachtmaand de varkensstaart of halve varkenskop. Ook weleens de dikke darmen van pas geslachte varkens. Thuis gekomen maakte zij die dan schoon en na gekookt te zijn kon zij daar heerlijk van smikkelen. Geen mens, die Lieëneke zonder iets weg durfde te sturen, bevreesd als men was om door haar vervloekt te worden. Want o wee als dat gebeurde, gegarandeerd dat je dan na enkele dagen een steenpuist kreeg, de koe verwierp of de kinderen de mazelen kregen.

Het verhaal ging, dat als je Lieëneke driemaal kruislings door haar voetspoor liep, zij dan omkeek en een verwensing uitsprak. Drie dagen later zat je dan onder de luizen en vlooien. Dit verhaal heb ik als klein kind door toen al oude mensen met enige varianten horen vertellen.

Cornelis Nies (geb. 1914), bewerkt door Alfons Bruekers (1980)