Leonardus Mooren stamde uit een oud en rijk Nederweerts geslacht. Hij werd gedoopt op 2 maart 1700 als oudste zoon van Jacobus Mooren en de dochter van de schout, Maria Rosa de Haes. Hij zag het levenslicht in een nog bestaand huis ten noorden van de Sint Lambertuskerk, waar hij na langdurig verblijf in andere plaatsen uiteindelijk ook zijn laatste levensjaren doorbracht en zou sterven.
Hij studeerde in Weert, Roermond (priesterseminarie, 1716-1721) en Leuven en werd priester gewijd in 1721 nadat hij succesvol zijn thesis over Thomas van Aquino had verdedigd. Leonardus doorliep een lange en indrukwekkende kerkelijke carrière. Hij was geruime tijd secretaris van bisschop Sanguessa van Roermond. Toen zich in 1727 een slepende discussie voordeed over de benoeming van Sanguessa in Den Bosch, werd Mooren als lobbyist naar de Staten in Den Haag gestuurd om te onderhandelen met de ambassadeurs van Spanje, Oostenrijk en Portugal in de hoop het Haagse veto van tafel te krijgen. Dat mislukte, maar het moet voor Mooren een belangrijke leerervaring zijn geweest.
In 1731 bezocht Leonardus Mooren na lange tijd weer zijn geboortedorp Nederweert. Bij die gelegenheid stichtte hij een beneficie van het H. Kruis en schonk hij aande kerk een verguld zilveren reliekhouder. In 1735 werd Mooren op een vrij bijzondere manier verkozen tot kanunnik in Roermond. Maar vanwege een voor het gerecht gebrachte procedurefout dreigde die benoeming twee jaar later geannuleerd te worden. Nog voor het tot een gerechtelijke uitspraak kwam, verwierf Mooren een kanunnikschap in het Vlaamse Kortrijk en zag hij – eieren voor zijn geld kiezend – af van dat in Roermond.
In de tussentijd had hij ook een studie aangevangen aan de Leuvense universiteit, waar ook een neef en een oom al hadden gestudeerd. Mooren werd ingeschreven in de Pedagogie ‘De Valck’ in de Tiense straat. Waarschijnlijk heeft zijn studie niet langer dan twee of drie semesters geduurd. Na terugkeer in Roermond nam hij diverse taken over van bisschop Sanguessa, die met zijn gezondheid aan het sukkelen was. Zo mocht Mooren de bisschop in 1738 vervangen bij een ontmoeting met de Pruisische koning Frederik Willem I. Het was ook Mooren die de bisschop in 1741 zijn laatste sacramenten toediende. Hun bijzondere band blijkt ook uit het feit dat de stervende bisschop in zijn testament een zeer royaal bedrag van 4000 gulden schonk aan het door Mooren in Nederweert gestichte beneficie. Het heeft er alle schijn van dat Mooren zich vervolgens vooral heeft bezig gehouden met zijn kanunnikschap in Kortrijk, hoewel hij ook veel in Nederweert verbleef. Uit een woordelijk verslag van een heftig dispuut tussen Mooren en het Weerter gemeentebestuur in 1744 zijn Mooren’s trotse en koppige karaktertrekken te herleiden.
In de herfst van zijn leven, hij was inmiddels 71 jaar, stichtte hij in de kerk van Nederweert vier zielemissen waarvoor hij een bedrag van 1000 gulden schonk. In 1777 schonk hij een beeld van zichzelf, afgebeeld als kanunnik, aan de St. Lambertuskerk en ook wordt de schenking van een calvariegroep, in 1776, aan hem toegeschreven. In de chronogrammen op beide objecten wordt een nadrukkelijke relatie gelegd met de verering van het Heilig Kruis. Een thema waar Mooren, zoals we hiervoor zagen, veel affiniteit mee had.
Tot op hoge leeftijd maakte hij zich verdienstelijk voor de gemeenschap. In 1779 deed hij een uitvinding voor de plaatselijke brandbestrijding. Die bestond uit een door hem bedacht systeem van koppelbare houten goten, om het bluswater uit zijn waterrijke put tot bij een brandhaard te kunnen transporteren, om het vandaar uit met een brandspuit aan te wenden. Het gemeentebestuur was zeer onder de indruk van de vinding en liet een en ander met veel woorden vastleggen in de gemeentelijke protocollen.
In 1780 voelde Mooren zijn einde komen en maakte hij zijn testament. Opmerkelijke passage uit de beschrijving van zijn nalatenschap is dat hij een privé-bibliotheek bezat, die hij vermaakte aan zijn lijfarts, Petrus Caris.
Behalve zijn geest verzorgde hij ook zijn smaakpapillen, want de boekhouding van de plaatselijke wijnhandelaar Cornelis Trouwen (overbuurman van Leonardus Mooren) laat zien dat de bejaarde Mooren een grote afnemer van wijn was. Elk jaar kocht hij ongeveer 150 liter wijn van zijn overbuurman. Voor het laatst vulde Mooren zijn wijnvoorraad aan op 17 november 1781. Veel plezier heeft hij daar niet meer aan beleefd want in het weekend van 25 november gaf hij de geest. De volgende dinsdag werd hij begraven in het familiegraf onder het priesterkoor van de St. Lambertuskerk. Na zijn uitvaart ontspon zich een uitgebreid en langdurig gevecht onder de erfgenamen, over de interpretatie van het testament en de verdeling van de nalatenschap. Dat leidde tot een langdurige juridische strijd. Met het overlijden van kanunnik Mooren stierf zijn tak van de familie in Nederweert uit.
Alfons Bruekers