Nederland telde in 2010 ruim 100 miljoen telefoonnummers, waarvan de helft mobiele nummers. Dat zijn er ongeveer zes per hoofd van de bevolking. Op basis van dat gemiddelde zou Nederweert dus vele tienduizenden nummers moeten tellen. Honderd jaar geleden was dat er welgeteld één.
Het eerste telefoontoestel deed in de winter van 1900 op 1901 zijn intrede, in het gemeentehuis. In januari 1902 was er al een telefoonkantoor met regelmatige openingstijden. In 1904 kreeg Nederweert een zogenaamd hulptelegraafkantoor met telefoon. Particulieren konden met die telefoon niet bellen; het toestel was bedoeld om voor Nederweert bestemde telegrammen aan te nemen. De postbode was verantwoordelijk voor de verdere bezorging. Het kantoor was gevestigd in de Kerkstraat en Dimphina Peeters (geboren in 1857 in Gennep) zwaaide er de scepter. In 1913 werd het enige Nederweerter telefoontoestel vrijgegeven voor gebruik door de inwoners, in ‘eene openbare spreekcel’. Ideaal was die toestand niet want het kleine postkantoor kende geen privacy. In een kamer van vijf bij vier meter vonden alle transacties plaats en als er een telegram binnenkwam of een telefoongesprek werd gevoerd, kon iedere aanwezige meeluisteren.
Vrij snel daarna kwamen de eerste particuliere telefoonaansluitingen, die met een bovengronds net verbonden waren met de centrale in de Kerkstraat. In 1915 waren er drie particuliere aansluitingen: fouragehandel van den Boom, hotel Coumans en fouragehandel Linssen. In 1926 was het aantal gegroeid tot 27, waarvan 21 in de kern van Nederweert en zes in Ospel. In datzelfde jaar werd het bovengrondse net vervangen door telefoonkabels onder de grond. De nummers waren nog één- of tweecijferig. De eerste Nederweerter telefoonlijst verscheen in druk, uitgegeven door Drukkerij van Deursen.
Er waren nog grote praktische beperkingen gemoeid met de telefonie want het verbinden ging door tussenkomst van een telefoniste. Pas in 1931 werden de tijden dat gebeld kon worden aanzienlijk verruimd. Vanaf dat jaar kon men telefoneren van ’s ochtends half acht tot één, en van twee tot half acht ’s avonds. Ondanks deze verbetering bleken de openingstijden te krap en de inwoners verzochten om bijvoorbeeld ook tussen de middag te mogen bellen. De Posterijen wilden slechts gehoor geven aan dit verzoek als het gemeentebestuur de extra kosten voor haar rekening wilde nemen.
Toch was de groei van de telefonie in Nederweert niet meer tegen te houden. In 1939 bouwde het Rijk een tweetal telefooncentrales (op Budschop en in Leveroy), waardoor het plaatselijke telefoonverkeer automatisch (dus zonder tussenkomst van een telefoniste) tot stand kon komen. Na de Tweede Wereldoorlog was de opmars onstuitbaar. Stapsgewijs werd automatisch telefoneren door heel Nederland mogelijk. In 1946 werd het telefoonnetwerk van Nederweert automatisch benaderbaar vanuit de rest van Nederland. In 1950 telde Nederweert reeds 186 aansluitingen. Dat waren nog driecijferige abonneenummers, later met tussenpozen uitgebreid tot vier, vijf en in onze tijd zes cijfers. In honderd jaar tijd heeft de telefoon zich ontwikkeld van uniek exemplaar tot algemeen gebruiksvoorwerp.
Alfons Bruekers