‘Eine van Lewiese’. Zo luidde de titel van de memoires die Frits in 2016 aan het papier toevertrouwde. Verwijzend naar de oude bijnaam van deze Knapen-familietak. ‘Di-j van Lewiese’, dat zijn namelijk de nazaten van zekere Louis Knapen. Die man leefde 300 jaar geleden in Nederweert, om precies te zijn van 1723 tot 1804. Hij was al bij zijn geboorte een opmerkelijk persoon, want hij was namelijk een zogenaamde zevende zoon. In die tijd was het gebruik om de zevende zoon uit een groot gezin de voornaam Lodewijk, Louis of ‘Lewie’ te geven, naar de Franse koning Lodewijk IX, Lodewijk de Heilige, aan wie bijzondere gaven werden toegeschreven.
Volgens het bijgeloof zou ook elke zevende zoon uit een gezin die gaven krijgen. Of dat voor Louis Knapen uit 1723 ook heeft gegolden is niet bekend. Wat wél vast staat is dat hij de gave had om een heel groot nageslacht te verwekken, van vele honderden Knapen-nakomelingen. Zij werden naar hun stamvader ‘Lewiese’ genaamd, waarvan Frits, en velen van jullie hier in het publiek, het bewijs zijn. Allemaal dus indirect vernoemd naar een beroemde Franse koning. ‘Eine van Lewiese’ is dus een naam met een koninklijk tintje, met een gouden randje.
Godefridus Mathias Franciscus Knapen, roepnaam Frits, werd geboren op donderdag 18 oktober 1923. Precies 200 jaar na de geboorte van de zojuist gememoreerde naamgever van het geslacht ‘Lewiese’. Frits’ geboortedag was een dag met veel bewolking, slechts een uurtje zon, en een temperatuur van een graad of tien. Eigenlijk dus net zo’n weersomstandigheden als vandaag.
1923. Het jaar dat de Engelse archeoloog Howard Carter in Egypte het graf van Toetanchamon ontdekte. Het jaar waarin de insuline voor suikerpatiënten werd uitgevonden. Het jaar ook dat de eerste geluidsfilm verscheen en in Amerika de oprichting van Hollywood plaatsvond. Nederland kende in 1923 de eerste Hilversumse radiouitzending. Ook het jaar van de oprichting van de Republiek Turkije. En van de arrestatie van Adolf Hitler, een toen nog vrij onbekende militante praatjesmaker.
In Frits’ geboortejaar was er nog geen radio, geen elektriciteit laat staan televisie of computer. In 1923 waren er nog géén 25 telefoonnummers en slechts een handjevol krantenabonnees in Nederweert. Het grote wereldnieuws ging voorbij aan het gezin Knapen waar Frits het levenslicht zag. Dat was op de boerderij ‘Hooks’, in de Heihoek, onderdeel van Kraan, destijds zo ongeveer het einde van de bewoonde wereld. Daar begon de ‘Gries Hei-j’, het spreekwoordelijke middle of nowhere. Frits herinnerde zich dat hij als kind wel eens door zijn grootmoeder getrakteerd werd op een uitje naar Nederweert-Eind, naar de halfverharde kiezelweg door de Houtsberg. ‘Dan zeen vae meschien waal unne auto’, was het verleidelijke perspectief. Toen was geluk nog heel gewoon.
Bij de geboorte van Frits was het éigenlijk de bedoeling dat hij Frans zou heten, naar zijn peetoom, ‘Notte Frans’ oftewel Frans van Nieuwenhoven. Maar daar was peettante ‘Lewiese Bet’ het niet mee eens en het zou volgens haar toch écht Frits moeten zijn. Terwijl de baby in de kinderwieg lag werd er boven zijn hoofd flink gedebatteerd. De familieleden gooiden het op een akkoordje: Frans zou Frits genoemd gaan worden, onder de voorwaarde dat de vólgende boreling dan toch wel echt Frans zou moeten heten. Zo gezegd zo gedaan, en de echte Frans in dat gezin werd twee jaar later, in 1925, geboren.
Net als de meeste kinderen van Kraan en de Heihoek ging Frits niet in Nederweert, maar op Leuken in Weert naar school. Frits was een bovengemiddeld slimme, goeie en ijverige leerling. Tegenwoordig zou je zo iemand misschien hoogbegaafd noemen. Toch wel iets van een zevende zoon dus… Hij was erg leergierig, leerde vlotjes, haalde goede cijfers en las werkelijk alles wat los en vast zat. Tóch (of misschien wel juist daardoor….) kreeg hij regelmatig straf van de leerkracht, meestal omdat hij ‘teveel’ wist of interesse had voor dingen die hij nog niet behoorde te weten op zijn leeftijd. Bijvoorbeeld zijn twijfels over het geloof, de hemel en de hel, die hem op een flinke reprimande van de schoolmeester kwamen te staan. Of zoals zijn nieuwsgierige vragen over wat ‘een kuise verkering’ wel niet was en hoe je eigenlijk moest ‘vrijen’ met een meisje. De ontwijkende antwoorden over dat vrijen stelden hem aanvankelijk tevreden maar later ontdekte Frits dat het in de praktijk toch allemaal een tikkeltje anders bleek te gaan. “Ik heb me goed aangepast”, schreef hij daarover later met een vette knipoog.
Een carrière als boer, net als zijn ouders en vele generaties voor hen, lag in de lijn der verwachting. Op de Landbouwschool leerde Frits scheikunde, natuurkunde en biologie. Dat alles fascineerde hem geweldig. Maar boer worden was aan hem niet besteed. Hij zag niks in graan verbouwen en koeien houden en kon zich niet voorstellen daar ooit de kost mee te moeten verdienen.
Frits was 16 jaar toen het Duitse leger in 1940 Nederland binnenviel. In 1943 kreeg hij in Weert een baantje bij de PTT, de postbezorging. Post van Nederweert en Ospel naar Weert (heen en weer) brengen, sorteren op plaatsnaam en de posttrein in Weert beladen. Frits viel daar positief op door zijn aardrijkskundige kennis en zijn administratieve overzicht. Hij mocht ook waardevolle postzendingen van Nederweert naar Weert brengen. Een keer moest hij zelfs een postzak met daarin 61.000 gulden naar Weert transporteren. Gewoon, onder de snelbinders achterop de fiets, naar Weert. Tegenwoordig is dat omgerekend een half miljoen euro.
In 1944 moest Frits van de Duitse bezetter verplicht gaan werken voor de Arbeidseinsatz in Duitsland, bij de Bundespost in Dresden. Dat ging uiteindelijk niet door en Frits dook onder tot het moment van de bevrijding van Nederweert in september 1944. Die tijd als onderduiker bracht hij door met een zelfstudie algemene ontwikkeling en rekenkunde. De op handen zijnde bevrijding bracht nieuwe mogelijkheden. De geallieerden hadden grote indruk gemaakt op Frits. En wat velen niet zullen weten: Hij meldde zich aan bij de luchtmacht voor een opleiding tot piloot. Hij werd goedgekeurd en moest zich gereedmaken voor de pilotenopleiding in South Carolina, in de V.S.
Maar toen kwam er die fatale woensdag 13 december 1944 waardoor het leven van Frits een totaal andere wending zou krijgen. Tijdens een poging om de levens te redden van zijn broer en neef raakte Frits zwaargewond door een ontploffende landmijn. Aanvankelijk zag het er niet goed uit voor hem en hij werd zelfs ‘bediend’ zoals dat heette. Dat gebeurde op 18 december 1944, exact dezelfde dag die ook het werkelijke einde van zijn leven zou markeren maar dan pas 78 jaar later…
Frits z’n linker onderbeen moest worden geamputeerd en sindsdien liep Frits wat moeilijk, zoals wij allen weten. Het was een traumatische ervaring. Zelf zei hij er later over: “Ik had een moeilijke tijd, ik moest er helemaal zelf uit zien te komen”. Ook zijn verkering raakte er door uit. “Zoeë eine kan dich de hoof neet umspaaje”, hadden de schoonouders in spe aan hun dochter geadviseerd. Een hartstochtelijk afscheid volgde. “Ik voelde me eenzaam en had het gevoel er niet meer bij te horen”, vertelde Frits later. Hij sliep slecht en droomde nog jarenlang over handgranaten en landmijnen.
Door dat fatale ongeluk ging de pilotenopleiding natuurlijk niet door en nam zijn leven een andere koers. Hij moest wennen aan zijn prothese en helemaal opnieuw leren zwemmen, fietsen en lopen. Hij wilde er weer bij horen, en mee kunnen doen. Dat lukte niet altijd en daar had hij het wel eens te kwaad mee. Maar met goede moed ging hij zich bekwamen door middel van cursussen. Boekhouding. Middenstandscursus. Handelsrekenen. Statistiek. Bedrijfsadministratie. Zoals gezegd: hij had een goed stel hersens en was een snelle leerling. En hij slaagde voor alles met vlag en wimpel. Zijn talent viel op en in 1946 werd hij gevraagd als administrateur bij de Boerenbond. Eerst onder Mies Koppen en vanaf 1953 werkend onder zaakvoerder Zjef Kirkels.
Naast dat werk bleef Frits zich bekwamen in cursussen zoals brandstofkennis, verzekeringen en Engelse handelscorrespondentie. In 1973 volgde hij Kirkels op als zaakvoerder en kreeg hij formeel de verantwoordelijkheid die hij eigenlijk al jarenlang in de praktijk uitgeoefend had. De manier van bedrijfsvoering door Frits heeft de Boerenbond veel financieel voordeel opgeleverd, al was het soms lastig dealen met een conservatief en traditioneel bestuur. In 1987 nam Frits op grootse wijze afscheid van de Boerenbond en ging hij met de VUT, zeg maar het pre-pensioen.
Naast zijn werkzame leven had Frits ook nog een rijk verenigingsleven. Hij kreeg niet voor niets diverse onderscheidingen voor zijn verdienstelijke activiteiten. Zo was hij vrijwel vanaf het begin betrokken bij de heropgerichte schutterij St. Lucie. Niet alleen als bestuurder maar ook als actieve schutter, die maar liefst driemaal schutterskoning werd. Het was ook op een schuttersfeest – we schrijven inmiddels het jaar 1955 – dat hij de negen jaar jongere Toos ‘van Alex’ leerde kennen. Ze maakten af en toe gezamenlijke fietstochten naar haar familie in Mill, waar Toos haar roots had. Fietstochten van 125 km, op een slechte fiets en met een slecht been. Maar de liefde was groot en dat bleek wederzijds. In 1957 traden Frits en Toos in het huwelijksbootje. Er werd een nieuw huis gebouwd aan de Burg. Van Udenstraat en er volgden al gauw kinderen.
Naarmate die kinderen opgroeiden kwam er behalve voor vakanties in Zeeland ook tijd voor hobby’s, zoals tekenen, schilderen en edelsmeden. Vooral op dat laatste gebied was Frits een verdienstelijke ambachtsman, als leerling van de meester-edelsmid Eloy Werz uit Weert. En het was vooral ook Toos die op allerlei manieren mogelijk maakte dat Frits zich zo kon ontplooien. Hij bleef een gedreven en gepassioneerd man, ongeduldig en soms ook wat ongedurig. Begin jaren ’70 kreeg Frits belangstelling voor familiegeschiedenis, de genealogie. En dan vooral de familie van zijn moederskant, de Van Nieuwenhovens. Stambomen maken, van eigen familie maar ook op verzoek van anderen, werd een nieuwe liefhebberij.
Dat was trouwens ook het eerste moment dat het pad van Frits en het mijne elkaar kruisten. Als ik dat goed na ga moet dat in 1974 zijn geweest. Hij was net 50 en bijna vier keer zo oud als ik, ik was amper 13 jaar. We zijn toen een keer in zijn auto naar Eindhoven gereden, om in de stadsbibliotheek een of ander zeldzaam boek over familiegeschiedenis te raadplegen. Met z’n drieën: Frits zelf, Jac van de Warreburg en ik. Onder elkaar hadden we het vaak over stambomen. Toen Jac vrij plotseling overleed kwam er een vacature in het bestuur van de Stichting Geschiedschrijving Nederweert.
In januari 1989 werd Frits bestuurslid en penningmeester van die stichting. En formeel bleef hij bestuurslid tot de dagvan zijn recente overlijden. Hoewel hij al jaren niet meer actief kon zijn, bleef hij betrokkenbij het wel en wee van de geschiedschrijving. Frits was trouwens veel meer dan alleen penningmeester en bestuurder van de stichting. Hij deed ook veel onderzoek naar historische onderwerpen en publiceerde daarover in de boekenserie Nederweerts Verleden en elders. Vooral artikelen over onderwerpen die hem beroepsmatig altijd erg geboeid hadden, zoals de geschiedenis van de zuivelorganisaties, veeverzekeringen, boerenbond, boerenleenbank en ga zo maar door. De kers op de taart was toch wel het mooie boek over de geschiedenis van Schoor, Roeven en Kraan dat in 2012 verscheen. De uitreiking daarvan kon hij niet bijwonen wegens een ziekenhuisopname en daarom nam Toos de honneurs waar.
De bestuurs- en redactievergaderingen op de Burg. Van Udenstraat met Toos als zorgzame en geïnteresseerde gastvrouw waren altijd geanimeerd en gezellig. Ook als stichtingsbestuur hebben we haar na haar overlijden in 2013 erg gemist. Als bestuurslid heeft Frits heel veel bijgedragen aan de verwerving van allerlei kleine en grote archiefverzamelingen en bijzondere collecties van foto’s en documenten. Allemaal materiaal ten behoeve van de geschiedschrijvers van de toekomst. Wat voor die activiteit onontbeerlijk was, was dat Frits een enorm groot netwerk had. Dat had hij onder andere opgebouwd tijdens zijn werk als administrateur en bedrijfsvoerder van de Boerenbond. Frits kende iedereen, en iedereen kende Frits.
Wat was het mooi dat hij zijn 99e verjaardag onlangs nog in Ouderencentrum St. Joseph met familie heeft kunnen vieren. Vrijwel tegelijkertijd, begin november, werd het jongste boek van de stichting gepresenteerd, en figureerde Frits nog even op de lokale nieuwszender Nederweert24. Het ging toen nog redelijk goed met hem. We hadden het er zelfs nog over dat hij de honderd jaar wel vol zou maken. Een paar weken geleden zocht ik hem opnieuw op in St. Joseph, maar echt contact met hem maken was toen al niet meer mogelijk. De trein had de reis naar de laatste bestemming al ingezet.
En nu, dames en heren, staat Frits inmiddels bij Sint Petrus aan de hemelpoort. “Kee, dao hej-jae Frits van Lewiese!” zal ook de hemelse zaakvoerder hem al op grote afstand toeroepen. Want inderdaad: Frits kende iedereen, en iedereen kende Frits…
Uitgesproken door Alfons Bruekers namens het bestuur van de Stichting Geschiedschrijving Nederweert bij het afscheid van Frits Knapen in het Limburgs Openluchtmuseum Eijnderhoof te Nederweert-Eind op zaterdagochtend 24 december 2022.
Tekst en foto’s: Alfons Bruekers